No-nonsense-acteur Gene Hackman (95) grossierde in mannen met gezag

Gene Hackman maakte in Hollywood naam dankzij de – meestal rechtschapen – mannen met gezag die hij glorieus neerzette. Het leverde hem twee Oscars op, voor klassiekers ‘The French Connection’ en ‘Unforgiven’.

featured-image

Gene Hackman was een man van zijn woord. De acteur gaf zelden interviews („Ik ben opgeleid om te acteren, niet om een beroemde ster te zijn”), maar in juli 2004 was hij te gast bij Larry King. Daar kondigde Hackman – toen 74 jaar oud – aan dat hij met pensioen ging.

Deze belofte hield stand tot aan zijn dood. Hij leek het werk en de roem niet te missen. In 2011 vroeg het blad GQ hem of hij niet overwoog toch nog één film te doen.



„Alleen als ik het in mijn eigen huis kan doen, met slechts één of twee andere mensen erbij”, antwoordde hij resoluut. Wel schreef hij in zijn latere jaren een aantal historische romans en sprak soms documentaires in. De 95-jarige acteur werd woensdag met zijn echtgenote, pianist Betsy Arakawa (64) en hond ontzield aangetroffen in zijn landhuis bij Santa Fe, New Mexico.

Tot zijn zelfgekozen pensioen was Hackman een zeer productieve acteur; in een tijdsbestek van veertig jaar was hij te zien in een kleine honderd filmproducties. Met name in de jaren negentig leken er nauwelijks filmhits te zijn waarin de acteur met zijn allemansgezicht niet meespeelde. Zocht je een norse patriarch of getroebleerd vaderfiguur dan belde je hem.

Gene Hackman was geen mooie jongen, met zijn kreukelige gezicht, licht toegeknepen ogen en aardappelneus. Zijn specialiteit waren louche gezagsfiguren, zoals de vasthoudende narcotica-rechercheur Popeye Doyle in The French Connection (1971), de introverte, zweterige afluisterexpert in The Conversation (1974), de cartooneske superschurk Lex Luthor in drie Superman-films (1978-1987), een doortastende, maar weinig regelvaste FBI-agent in racisme-drama Mississippi Burning (1988) of de meedogenloze sheriff in Unforgiven (1992). Vijfmaal werd de acteur genomineerd voor een Oscar: hij won het beeldje voor The French Connection en Unforgiven .

Toen Hackman de vijftig was gepasseerd, stond hij bovenaan alle castinglijstjes als er een norse patriarch of een getroebleerd vaderfiguur werd gezocht. De jaren negentig waren een uitermate productief en artistiek bevredigend decennium. Na zijn Oscarzege als sheriff Little Bill in Unforgiven – een sadist én realpolitiker – stond hij in drie westerns op rij.

Hij diende Denzel Washington fraai van weerwerk als (te) gezagsgetrouwe kapitein van een nucleaire onderzeeër in Crimson Tide (1993), speelde een kruiperige filmproducent in Get Shorty (1995), een foute president in Clint Eastwoods Absolute Power (1997). Na die reeks successen kwam zijn pensionering best abrupt. Hackman werd oud geboren; zijn halve leven leek hij weggelopen uit een John Grisham-boek over met zichzelf worstelende mannen van post-middelbare leeftijd – niet voor niets was hij te zien in drie verfilmingen van de auteur ( The Firm , The Chamber en Runaway Jury ).

Als tiener dacht Eugene Allen Hackman (geboren in San Bernardino, Californië in 1930) aan een carrière in het leger. Op zijn zestiende verliet hij het huis van zijn grootmoeder, bij wie hij na de scheiding van zijn ouders opgroeide. In eerste instantie meldde de jonge Hackman zich bij de mariniers.

Maar hoewel hij als radio-operator alle hoeken van de wereld zag (hij belandde onder meer in Japan, China en Hawaï), besloot hij toch in New York op zoek te gaan naar vastigheid. „Ik was een slechte soldaat, ik kan niet goed tegen autoriteit”, zei hij later. Als twintiger studeerde hij even journalistiek en televisie voordat hij besloot naar California terug te keren om lessen te volgen bij acteeropleiding The Pasadena Playhouse, waar hij kamergenoot en vriend werd van Dustin Hoffman.

Zij waren de riseetjes van de klas, onder meer omdat ze bepaald niet voldeden aan het schoonheidsideaal dat toen in Hollywood gold – klasgenoten brandmerkten de twee als ‘least likely to succeed’, Hackman vertrok met de laagste cijfers ooit. De dertig gepasseerd, leefde Hackman in de jaren zestig met zijn vrienden Hoffman en Robert Duvall als worstelend acteurs in New York, waar veel tv-en toneelwerk was. Ze onderhielden zichzelf met talloze bijrolletjes en baantjes in de horeca.

Het geluk wilde dat ook Hollywood eind jaren zestig in toenemende mate ‘karakter’ boven schoonheid ging verkiezen – films moesten ‘echt’ zijn. Daarna ging het snel: zowel Hackman als Hoffman kregen al voor hun tweede grote filmrol een Oscarnominatie – Warren Beatty vroeg Hackman hoogstpersoonlijk om zijn oudere broer te spelen in misdaadklassieker Bonnie and Clyde (1967). Ook op Broadway viel Hackman snel in de prijzen voor zijn rollen in Children at Their Games van Irwin Shaw en de komedie Any Wednesday .

Het curieuze is dat Hackman in het theater zelden voor serieus drama werd gevraagd, maar het witte doek juist verzuimde zijn onmiskenbare komische talent aan te spreken. Uitzonderingen waren een bekrompen senator in queer-musical The Birdcage (1996) en de ziekte veinzende pater familias in The Royal Tenenbaums (2001) van Wes Anderson. Zijn aanpak werd door regisseurs omschreven als ‘no-nonsense’; een acteur komt op de set om een rol te spelen, niet meer en niet minder.

Hackman kon ook weinig met de roem die zijn succes met zich meebracht: „Zodra ik mijzelf als een ster ga zien, kan ik geen gewone mensen meer spelen”, stelde hij. In interviews weigerde Hackman steevast op persoonlijke vragen in te gaan. Zijn eerste huwelijk, met secretaresse Faye Maltese, hield drie decennia stand; het koppel kreeg drie kinderen.

Na hun scheiding in 1986 hertrouwde Hackman met pianiste Betsy Arakawa in 1991. Sinds zijn afscheid van het vak trad de acteur nog maar zelden in de openbaarheid, al is wel bekend dat hij tot op hoge leeftijd veel tijd besteedde aan wielrennen en schilderen. Op zijn eigen films terugkijken deed de acteur nooit, bekende hij in 2004 aan Larry King: „Daar word ik alleen maar heel nerveus van.

”.